Jeugd neemt huishoudbeurs op hak

Jeugd neemt huishoudbeurs op hak

De huishoudbeurs die van 21 februari tot 1 maart gehouden wordt in de RAI in Amsterdam, is dit jaar populairder dan ooit. Op social media raken jongeren niet uitgepraat over ‘het vetste feestje van het jaar’. LINDAnieuws sprak met Nicole Mengerink van de Huishoudbeurs.

We kregen het gisterenavond opeens te horen. We snapten echt niet wat er gebeurde; opeens kregen we van alle kanten meldingen binnen, zegt Mengerink.

Zeventigste editie

Het begon met een stel jongeren dat de Huishoudbeurs dreigde te gaan verstoren, maar al snel werden de reacties op Facebook en Twitter ronduit hilarisch. Nicole en haar collega’s waren verrast, maar vinden het vooral erg leuk: We hebben ontzettend gelachen om alle reacties die binnen kwamen, we vinden het erg leuk. Dit is al de zeventigste editie van de Huishoudbeurs. Iedereen is er wel eens geweest of kent iemand die er geweest is. Iedereen heeft er wel een mening over, en zolang het positief blijft en niet racistisch wordt, is dit gewoon hartstikke grappig.

Editorial van Linda de Mol uit Linda 112

editorial-cover

Jeetje, alweer het december­ nummer. 2013: een jaar dat bij mij niet de boeken in gaat als het allermakkelijkste. Maar wel een jaar waarin ik weer eens gemerkt heb hoeveel lieve mensen ik om me heen heb. En hoe fijn zo’n sociaal vangnet is, als je het eventjes niet meer ziet zitten. En het jaar waarin de LINDA. Foundation het licht ziet, de stichting die hopelijk het sociale vangnet gaat worden voor Nederlandse moeders die het in financieel opzicht heel erg moeilijk hebben. Mijn leven is, op wat dieptepunten na, een heel fijn en kleur­rijk cadeautje: gelukkige jeugd, liefhebbende ouders, mooie vriendschappen, spannend werk, grote liefdes, fantastische kinderen (God, wat was ik trots toen ze zo mooi speechten op de begrafenis van hun opa), veel gereisd, veel meegemaakt, veel gelachen, veel genoten, hard gewerkt, veel verdiend. Van dat laatste had ik weleens last. Dat een hersenchirurg die negen jaar gestudeerd heeft en levens redt een prachtig salaris heeft, vind ik volkomen normaal en meer dan terecht. Dat ik met een gezellig potje amusement op televisie, het leukste blad van Nederland en hier en daar een film of een serie meer verdien dan die chirurg voelt soms best raar. Vooral de tien jaar waarin ik in Duitsland populair was, heb ik bedragen ontvangen waarvan ik zelf dacht: gaat dit wel over mij, ik ben toch geen voetballer? Ik heb hard genoeg gewerkt (tachtig uur in de week was volkomen normaal voordat ik kinderen kreeg) om mezelf dat mooie huis, die lekkere auto en financiële vrijheid om leuke dingen te doen te gunnen, maar ergens komt de vraag: wat doe je met het geld dat je niet nodig hebt voor een fijn leven en een mooie toekomst voor je kinderen? Het eerste idee dat dan opkomt is natuurlijk om het aan een goed doel te geven. Maar vrij snel daarna kwam het idee om zelf iets op te zetten en te proberen met mijn opgebouwde net­werk en bekendheid van dat geld méér geld te maken en zo een eigen goed doel te creëren. Ongeveer op hetzelfde moment kwam het rapport van de Kinderombudsman dat waarschuwde voor de groeiende armoede in Nederland waar vooral kinderen ernstig de dupe van zijn.

Eén op de negen kinderen groeit op in armoede, was de conclusie. Eén op de negen! In Nederland! In Amsterdam zelfs één op de vier.

Armoede is natuurlijk een relatief begrip. Als je in Burkina Fasso een dak boven je hoofd hebt en elke dag iets te eten hebt, ben je hartstikke rijk. Hier in Nederland is er altijd wel een dak en dankzij het goede werk van de Voedselbank gelukkig ook bijna altijd wel iets te eten, maar toch gaat het hier wel degelijk over armoede. Armoede is een situatie waarin sprake is van onvoldoende middelen, waardoor mensen zijn uitgesloten van een levensstandaard die in hun samenleving als minimaal wordt gezien. Je kinderen niet elke dag een warme maaltijd kunnen serveren is zo’n voorbeeld en dat komt echt veel voor in Nederland. Je kinderen zonder ontbijt naar school moeten sturen en zonder iets lekkers in de schooltas ook.

Geen geld hebben voor een traktatie op school en je jarige kind uit schaamte ziek melden – echt, het gebeurt gere­geld.

Je kind niet naar een feestje kunnen laten gaan omdat er geen geld is voor een cadeautje. Je peuter maar even niks vertellen over Sinterklaas want er is geen geld om iets in de schoen te stoppen. Je zoon niet kunnen laten voetballen omdat er geen geld is voor de benodigde outfit. Je dochter niet de gedroomde opleiding kunnen geven omdat die simpelweg te duur is. Voor de kinderen in kwestie heel moeilijk, het leidt vaak tot sociale uitsluiting. Nooit ergens aan mee kunnen doen is ook armoede. En voor de ouders is het een constante bron van stress. Altijd nee moeten zeg­gen als je kinderen ergens om vragen en altijd wakker liggen met zorgen over hoe die kapotte telefoon gerepa­reerd kan worden of hoe je met die € 26 in godsnaam nog een week je gezin kunt voeden. Het onophoudelijke gepieker, de zorgen, de schaamte en de eenzaamheid die dat met zich mee­ brengt, daar kunnen wij ons geen voorstelling van maken.? Maar hoe fijn zou het zijn als wij met zijn allen, ieder naar eigen draagkracht natuurlijk, dat sociale vangnet zouden kunnen zijn, voor gezinnen zoals ik die hierboven schetste … Ik realiseer me terdege dat er grote moeite is met het strijkstokgevoel dat mensen hebben als ze geld doneren aan een goed doel. “Ik geef een tientje maar hoeveel komt er nou exact terecht op de goede plek?”

De LINDA. Foundation is anders. Omdat ik de komende vijf jaar, met hulp van onze uitgeverij, alle kosten betaal van de stichting (salarissen, kantoor, tv­-reclame, folders, acties, etc. etc.) blijft er helemaal niets aan de strijkstok hangen. Sterker nog: we draaien het om. Ik garandeer en beloof persoonlijk dat honderd procent van de giften bij de gezinnen terechtkomt, maar ga ook nog eens proberen van jouw tien euro elf euro te maken of misschien wel twaalf of dertien.

Het eerste wat we gaan doen (en ik hoop dat ik op je support kan rekenen) is in december duizend gezinnen een cadeau geven. Een cadeau dat in zware tijden dat mentale steuntje in de rug is. We willen die duizend gezinnen een mooi doosje sturen (met dank aan DHL) met daarin zes cadeaukaarten. Drie van Albert Heijn, eentje van Intertoys, eentje van C&A en eentje van de Hema. Allemaal ter waarde van € 100 en vrij te besteden. Een cadeau dus van in totaal € 600. Daarvan kunnen ze wél dat Sint­ cadeautje kopen en een keer dat lekkere fruit, de schoolspullen, de verjaardagstaart, de pyjama en de winterjas.

Reken maar dat, als je als alleenstaande moeder met twee kinderen amper tachtig euro in de week hebt om alles van te moeten doen, eten, kleding, reparaties, contributies … dat dit een cadeautje is dat uit de hemel komt vallen en net het verschil kan zijn tussen het níét redden en het wel redden.

En wat geweldig om dat te krijgen van andere vrouwen in Nederland, die zich solidair met je voelen en zich een beetje om je bekommeren. Vrouwen die snappen dat het iedereen kan overkomen door een faillissement, scheiding of verlies van je baan. Omdat de bedrijven die ik hierboven noemde dit een prachtig initiatief vinden, geven ze ons veel meer aan waarde op die cadeaukaarten dan wij ervoor moeten betalen. Op die manier wordt jouw gift dus echt letterlijk meer waard. Er gaat helemaal niks af, omdat ik de kosten betaal en er komt zelfs een percentage bij door de beschreven sponsoring. Volgens René van de Camp van de geweldige Stichting Heppie, die ons enorm geholpen heeft, is dit een fantastisch cadeau. Als je afhankelijk bent van de Voedselbank heb je niets te kiezen. En dan is het meer dan fijn om als extraatje die cadeaukaarten te hebben, waarmee je je, al is het maar heel even, onafhankelijk zult voelen en zelf kunt beslis­sen of je aardbeien­ of perzikenyoghurt neemt.

De slogan van de LINDA. Foundation luidt: geven is nóg leuker dan krijgen. Ik hoop dat je dat met me eens bent en dat je bereid bent een ander gezin in Nederland een geweldig kerstcadeautje te geven.

Alle giften zijn welkom: tien euro, twintig, honderd … gewoon wat je kunt missen. Donateur worden kan ook. Op onze site lindafoundation.nl vind je alle informatie. Alvast ontzettend bedankt. Liefs, Linda

Op je knieen door de supermarkt

In dit dossier bewaren we interessante artikelen die gaan over armoede. Zoals het verhaal ‘Op je knieën door de supermarkt’ van Daphne Huineman uit LINDA.112.

Op je knieën door de supermarkt

Tekst: Daphne Huineman

Vroeger ergerde Daphne Huineman zich dood als ze de zielige verhalen van bijstandsmoeders hoorde. Die vrouwen moesten niet zeuren, maar gewoon gaan werken. Nadat ze met kinderen sprak die in armoede opgroeien, veranderde ze echter radicaal van mening.

Zeer geachte minister-president,

“Armoede is echt een vertekening van de feiten. We hebben het over mensen met een laag inkomen. De indruk wordt gewekt dat er ontwikkelingshulp naartoe moet.”

Dat waren uw woorden twee jaar geleden tijdens een debat over de bezuinigingen. Vroeger was ik dat helemaal met u eens. Geërgerd zapte ik weg als er bij EenVandaag op begrafenistoon een larmoyant verhaal werd opgedist over een uitgeprocedeerde Somalische familie (we kunnen niet alle stakkers binnenlaten), of over een weduwe met zes kinderen die toch echt niet kon gaan werken (zes! hoe haal je het in je hoofd!), of een gezin dat in de schuldsanering zat (moet je maar niet voor duizenden euro’s bij Wehkamp bestellen, aardappelhoofden). Een boterham met tevredenheid, ijsbloemen op de ramen en gaan werken op je twaalfde, dat was normaal in Nederland honderd jaar geleden, en toen hoorde je niemand zeiken. Nu heeft negentig procent van de minima een tv, magnetron en mobiele telefoon. Als de wasmachine stuk is, de dekbedhoezen versleten en als ze een bril moeten, dan wordt dat van gemeentewege voor ze geregeld. Hoezo zijn die dan arm? In Caïro had ik gezinnen gezien die woonden op de graven van een kerkhof. In de Sinaï had een bedoeïenenfamilie me trots rondgeleid door hun huis, dat bestond uit een paar stokken met plastic lappen. Geef elke klagende bijstandsmoeder een weekje in de woestijn cadeau en je hoort ze nergens meer over. Dat beeld kantelde abrupt toen LINDA. me vijf jaar geleden vroeg een stuk te schrijven over het onderwerp. De dingen die ik aantrof – of niet aantrof, in één huis stond niet meer dan een bank en een tv – maar vooral de verhalen die de kinderen vertelden, waren zo schrijnend dat ik er nog steeds niet overheen ben. Ze hadden geen honger, ze hadden een huis, maar daar was dan ook zo’n beetje alles mee gezegd. Dat dit kón in Nederland. Zo dacht ook een aantal geweldige lezers van dit blad: in no time had ik een schuurtje vol spullen voor de kinderen, waaronder de door een van de geïnterviewde kinderen zo vurig gewenste schooltas van Huis Anubis. Is het nou zo erg als je geen schooltas hebt? Ja, je wordt er door je klasgenoten op aangesproken als je een plastic zak mee naar school neemt, maar belangrijker: geen schooltas betekent vaak ook geen goede winterschoenen, geen geld voor sport en niet elke dag een warme maaltijd. Dat laatste is voor maar liefst veertig procent van de kinderen die meewerkten aan het rapport Kinderen in armoede (2013) van de Kinderombudsman geen vanzelfsprekendheid. Wat u hopelijk bedoelde met uw uitspraak van twee jaar geleden, mijnheer Rutte, is dat er in Nederland geen absolute armoede bestaat. Absolute armoede is knokken dat je ook vandaag weer wat te eten hebt. In Nederland is armoede altijd relatief. ‘Armoede is een situatie waarin sprake is van onvoldoende materiele, culturele en sociale middelen, waardoor mensen zijn uitgesloten van een levensstandaard die in de samenleving waarin men woont als minimaal wordt gezien’, zo luidt de definitie van de Europese Unie. Armoede draait hier dus niet alleen om materieel gebrek, het gaat vooral om de vraag of je wel of niet kunt meedoen met de rest. In dat meedoen kun je natuurlijk enigszins doorschieten. Toen mijn dochter van negen dit voorjaar in de klas vertelde dat ze voor het eerst had geskied, ging er een golf van ontzetting door de klas: voor het éérst?! Had ik haar maar niet op een school in een Gooische villa­ wijk moeten doen. Maar in een land waar 15,7 miljoen mensen vorig jaar met vakantie gingen en waar vakantiegeld officieel deel uitmaakt van de bijstand (al gaat dat geld meestal op aan het betalen van aan­ maningen) is een weekje naar een camping of een bezoekje aan een pretpark geen idiote luxe. Dat vond ik vijf jaar geleden eerlijk gezegd niet, maar nu wel.

“Iedereen moet kunnen eten, gas en licht hebben en stromend water. En er moet financiële ruimte zijn voor minimale pleziertjes. Een bloemetje hoort erbij.”

Zo sprak minister Marga Klompé bij de invoering van de Algemene Bijstandswet in 1965. Een bloemetje hoort erbij, wat een prachtige zin. In dat licht is het krankzinnig dat er een halve eeuw vooruitgang later bijna honderdveertig Voedselbanken in dit land zijn die de toeloop niet aankunnen. Die Voedselbanken bedienen voor het grootste deel mensen met schul­den, hoor ik u al zeggen. Waar. Er zijn in dit land honderdduizenden mensen met problematische schulden, en de meesten komen de schuldsanering niet eens in omdat ze maar schulden blijven maken. Om u maar meteen alle wind uit de zeilen te nemen: de meeste mensen die bij de Voedselbank aankloppen hebben minstens één verkeerde afslag genomen in hun leven, en zijn vervolgens niet tijdig omgekeerd toen ze verdwaalden. Naar de cijfers kijkend zou je heel kort door de bocht kunnen zeggen: Nederlandse armen zijn opvallend vaak alleenstaande moeders, zónder werk en mét schulden. Maar lang niet altijd, mijnheer Rutte; het kan uiteindelijk iedereen overkomen. Eén ingrijpende gebeurtenis (echtscheiding, huiselijk geweld, ontslag, arbeidsongeschiktheid, faillissement, de aanhoudende crisis) of één fout kan je al in de ellende storten. De fout van Lot (50) is dat ze haar man heeft vertrouwd bij het regelen van de geldzaken. Helaas betaalde hij jarenlang geen hypotheek van hun miljoenenvilla, maakte hij krankzinnig hoge schulden en verstopte hij de dreigbrieven van de bank, tot de boel klapte en het huis moest worden geveild. Nu heeft ze tonnen aan schuld, want de hypotheek stond op beider naam. Inmiddels woont Lot met drie kinderen in een huurflat. Daar moet ze het na vaste lasten redden met 350 euro per maand, een paar tientjes te veel om naar de Voedselbank te kunnen. Leven met heel weinig geld lukt haar wonderwel, maar het vergt continue alertheid.

“Ik laat mijn dochter van vijftien elke dag een paar minuten douchen, maar de jongste twee gaan om de dag, die ruik je nog niet. Een was doe ik even in de droger, daarna hang ik hem op in huis, een hele droog­ beurt is te duur. En ik lig altijd op mijn knieën bij Albert Heijn, want de goedkoopste producten liggen onder.”

Tijd om naar Lidl om te fietsen heeft Lot niet, want ze heeft een full­ time baan. Op haar werk draagt ze de afdankertjes van haar oudste dochter, die al het huis uit is. Op Lots riante salaris is beslag gelegd door de deurwaarder. “Een bijstandsmoeder is beter af, want die krijgt zorgtoeslag en kindgebonden bijdrages, maar met mijn hoge brutoloon kom ik nergens voor in aanmerking. Bij de gemeente willen ze me pas terugzien als ik mijn baan opgeef. Alleen dan kan ik in de bijstand en van daaruit in de schuldsanering. Maar dat wil ik niet, want ik vind op mijn leeftijd nooit meer iets nieuws. Ik word gestraft omdat ik te fatsoenlijk ben om de bijstand in te gaan. Maar ik kan me ook niet uit mijn steeds maar oplopende hypotheekschuld werken. Ik heb dus levenslang.” Lachend voegt ze eraan toe: “Vijf jaar geleden gaven we een groot feest in ons oude huis, er kwamen honderdvijftig mensen. Ik vraag me weleens af waar die allemaal gebleven zijn.” Als het gaat om armoede is kinderen krijgen en vervolgens scheiden fataal. Ook voor uw begroting overigens: maar liefst een derde van de gescheiden vrouwen verdwijnt in de bijstand. Maar ook al blijf je wel werken na de geboorte van je kinderen, dan nog kun je in een positie van totale afhankelijkheid geraken. Vijf jaar geleden kocht Ilona (35) nog lachend Louboutins van zes­ honderd euro: “Een cadeautje voor mezelf toen ik dertig werd.” Ze had een goede baan als trainer/coach, haar vriend verdiende veel geld met zijn horecazaken. Toen die failliet gingen, liep het fout. “Hij kon de afgang niet aan en ging zwaar drinken, blowen en drugs als GHB en ketamine gebruiken. Onze dochtertjes hebben in hun eerste jaren veel ellende en geweld meegemaakt.” Er volgde een rondgang langs verschillende blijf-van-mijn-lijf- huizen ver van huis. Ilona was genoodzaakt haar baan op te geven. Toen de stormen een beetje waren geluwd raakte ze in een peilloze depressie. In die tijd maakte ze voor zo’n achtduizend euro aan schulden, waar ze nu ‘geheel terecht’ voor moet boeten. Ze zit in de bijstand en schuldsanering, maar doet haar uiterste best een nieuwe baan te vinden. Tot die tijd hebben zij en haar dochters van vijf en zes jaar zeventig euro leefgeld per week. Daar moeten ze na aftrek van vaste lasten alles van doen: eten, kleding, vervoer, extraatjes: “Een onmogelijke zaak.”

Ilona: “We eten nu al drie dagen uitsmijters als avondeten. Met ketchup bij wijze van groente. Morgen ga ik naar de Voedselbank, dan is er gelukkig weer groente en fruit. Ik hoop dat er zure appels in het pakket zitten, die vinden de meisjes het lekkerst. Zelfs bij Lidl kost één Granny Smith­appel vaak nog veertig cent. Dat is tachtig cent per dag, vier euro per week. Een pak koekjes kost ook tachtig cent, maar dan hebben ze wel een hele week een tienuurtje in hun trommeltjes.”

Bijstand, in mijn omgeving is het taboe. Maar ik weet inmiddels dat je er verdomd moeilijk van kunt rondkomen als je kinderen hebt. Gelukkig klautert twee derde van de bijstandsmoeders binnen drie jaar weer uit de armoede, hetzij dankzij werk, hetzij dankzij een nieuwe relatie. Ik zeg tegen mijn vriendinnen dat we toch geen Amerikaanse toestanden willen met straten vol daklozen, dat een deel van de bevolking door psychische kwalen, verslavingen, of algehele Tokkie­heid nu eenmaal niet of slechts af en toe in staat is voor zichzelf te zorgen, en dat dit altijd zo is geweest. Dan gapen mijn vriendinnen veelal, want om schrijver Remco Campert aan te halen: “Armoede is natuurlijk helemaal geen schande, maar het is wel vervelend om er lang naar te kijken.” Hallo, bent u er nog, meneer Rutte? Mag ik dan alstublieft nog één ding zeggen? In 2011 telden we in Nederland 1.2 miljoen mensen die op of onder het sociaal minimum leefden. Een aantal van hen kan vast iets aan hun onfortuinlijke situatie doen, maar een kwart kan dat niet: het zijn namelijk kinderen. Hebt u deze zomer het rapport Kinderen in armoede van de Kinder­ ombudsman gelezen? Wat daarin staat, breekt je hart. ‘Ik draag kapotte kleding en heb al drie jaar geen nieuwe schoenen gehad.’ ‘Bij alles wat ik doe moet ik nadenken. Bijvoorbeeld of ik als ik uit school kom en honger heb wat te eten kan pakken, of dat ik dan al mijn avondeten eet. Het arm zijn houdt je de hele dag bezig.’ ‘Nu maken we hier thuis maar grapjes dat ik geen beugel hoef te dragen,’ zegt een jongen met scheve tanden voor wie een bezoek aan de orthodontist te duur is, ‘maar eigenlijk is dit niet leuk.’ “Van de kinderen die nu arm zijn, is 93 procent dat later niet meer”, pareerde u de oppositie in het bezuinigingsdebat in 2011. U had gelijk, er is geen overtuigend wetenschappelijk bewijs dat armoede overerfbaar is in Nederland. Dat komt onder andere doordat iedereen hier toegang heeft tot behoorlijk onderwijs en goede gezondheids­ zorg. Maar een land van gelijke kansen zijn we toch niet. Er zijn heus ook voordelen: arme kinderen leren de waarde van geld beter kennen, ze gaan vaak de noodzaak van luxe spullen relativeren, ze nemen vaker een baantje, ze voelen soms een hechtere gezins­ band. Maar armoede slaat voornamelijk wonden, meneer Rutte, dat blijkt uit eindeloos veel onderzoek. Een kleine greep: arme kinderen zijn drie keer zo vaak te dik als andere kinderen. De helft van de arme kinderen wordt weleens gepest om hun kleding. Veel arme kinderen schamen zich om vriendjes mee naar huis te nemen. Wie nooit aan sport doet mist allerlei leermomenten: winnen en verliezen, omgaan met regels et cetera, dat is niet goed voor de sociale ontwikkeling. De hersenontwikkeling van arme kinderen is aantoonbaar beperkter, wegens een overdosis stress en een gebrek aan goede prikkels. En ga zo maar door. Niet kunnen meedoen is voor arme kinderen het belangrijkste pijn­ punt. “Ik vind het vervelend om thuis te zitten, terwijl mijn vrienden leuke dingen aan het doen zijn”, is een veelgehoorde uitspraak. Ouders hebben daar ook last van.

Ilona: “Als ik aan het luizenpluizen ben in de klassen van mijn dochters en ik hoor die verhalen van klas­ genootjes over een pretpark of een weekendje weg, dan kan ik wel huilen. Zelfs logeren bij oma is iets onbereikbaars, omdat ik geen geld heb voor de treinreis.”

Je schudt de behoeftigheid nooit meer helemaal van je af. Mijn moeder, die met heel weinig opgroeide in het rijke Amsterdam­Zuid, had één jurk en mocht niet naar verjaardagspartijtjes omdat ze zelf geen feestje kon geven. En het hele gezinsleven speelde zich ’s avonds onder één peertje af. Om die reden heeft ze nu dertien kledingkasten vol en doet ze bij thuiskomst alle lichten aan in haar huis met zeven kamers. En ze blijft maar doorgaan met rondrennen en werken. Want als ze de controle even loslaat, zou haar leven weer kunnen worden zoals vroeger: zorgelijk en grijs, met verlepte witlof omdat de groente­ boer daar een dubbeltje vanaf deed. Nu was er in het gezin van mijn moeder alleen maar sprake van financiële nood, maar vaak is er ook nog huiselijk geweld, ziekte, psychiatrische problemen, verslaving, een vechtscheiding of alles tegelijk. Veel meisjes krijgen daardoor depressieklachten, veel jongens vertonen grensoverschrijdend gedrag. Ilona: “Ik heb fouten gemaakt, mijn ex nog meer, maar ik vind dat mijn kinderen daarvoor wel heel zwaar worden gestraft. Dat ze niet eens een appeltje kunnen mee­ krijgen naar school.”

“De indruk wordt gewekt dat er ontwikkelingshulp naartoe moet”,

zei u twee jaar geleden licht spottend over mensen met weinig geld. Fijn dat u daarop bent teruggekomen en dit jaar twintig miljoen euro hebt uitgetrokken voor armoedebestrijding. Geweldig dat het leeuwen­ deel van die ontwikkelingshulp gaat naar gezinnen met kinderen. Maar al zou elke cent van die twintig miljoen daar ook daadwerkelijk aankomen, dan lijkt € 52,77 per arm kind me niet voldoende om de situatie te veranderen. Dat weet ook uw staatssecretaris Jetta Klijnsma van Sociale Zaken, en dus had ze het er tijdens haar armoede­-estafette vorige maand telkens over dat we ‘allemaal moesten meedoen’ in de strijd tegen armoede. De LINDA. Foundation gaat deze feestdagen duizend gezinnen in nood met een prachtig bonnenpakket een steuntje in de rug geven, met hulp van de lezers. En hopelijk volgend jaar twee­ duizend gezinnen. Ook dat is helaas niet genoeg om het tij te keren, want er zijn 379.000 arme kinderen in Nederland, en we zijn op weg naar een half miljoen. Eén op de negen leeft op of onder het sociaal wettelijk minimum, in de grote steden zelfs één op de vier à vijf. Zij lijden daar dagelijks onder en hebben een aantoonbaar somberder toekomst in het verschiet dan andere kinderen. Wij zijn toch het land van de gelijke kansen? U wilt toch dat we allemaal meedoen in deze ‘participatiemaatschappij’. Waarom niet alle expertise en krachten gebundeld en een Deltaplan bedacht om deze zondvloed te stoppen? Kinderen kunnen dat nu eenmaal niet zelf. En hun ouders vaak ook niet.

Terug naar dossier.

Kinderombudsman aanpak gemeenten voor kinderen armoede moet beter

“Eén op de negen kinderen in Nederland groeit op in armoede. We moeten voorkomen dat dit een stempel drukt op de rest van hun leven,” dat stelt Kinderombudsman Marc Dullaert in het rapport dat hij in juni van dit jaar heeft aangeboden aan staatssecretaris Klijnsma van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW).

Meer aandacht voor kinderen
Gemeenten moeten meer aandacht hebben voor kinderen, die opgroeien in armoede. De Kinderombudsman vraagt gemeenten een beleid te ontwikkelen en adviseert om in te zetten op hulp, die direct ten goede komt aan de sociale, geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van kinderen.

Niet elke dag een warme maaltijd
De Kinderombudsman startte zijn onderzoek in februari met een digitaal meldpunt, waar kinderen en jongen konden vertellen hoe zij het ervaren om in armoede te leven. Uit meer dan 700 reacties bleek dat het merendeel elke dag wordt geconfronteerd met geldgebrek. Zo is er niet elke dag een warme maaltijd en geen nieuwe kleding als dat nodig is. Meer dan de helft gaat naar de voedsel- en kledingbank of heeft te maken gehad met het afsluiten van elektriciteit.

Lid zijn van een sportclub of het vieren van een verjaardag is voor veel van deze kinderen geen vanzelfsprekendheid. Daarnaast hebben velen het gevoel niet mee te kunnen doen en buitengesloten te zijn.

Gemeenten gaan wisselend om met kinderen die in armoede opgroeien
Gemeenten spelen een belangrijke rol in het bestrijden van armoede. De Kinderombudsman heeft gemeenten gevraagd hoe zij omgaan met kinderen die in armoede opgroeien. Zeer wisselend, blijkt. Veel gemeenten hebben sportieve en culturele voorzieningen voor kinderen in armoede, maar het aanbod loopt sterk uiteen en is niet altijd even toegankelijk.

Kindpakket
De Kinderombudsman adviseert gemeenten om een kindpakket samen te stellen. Dit pakket bevat de meest noodzakelijke behoeften én zaken om mee te kunnen doen in de samenleving. Denk aan vouchers voor winter- en zomerkleren, lessen voor een zwemdiploma, een bibliotheekpasje en toegang tot lokaal openbaar vervoer. Maar ook sporten. Dit pakket moet beschikbaar zijn voor alle kinderen die opgroeien in armoede.

Meer informatie vind je op dekinderombudsman.nl. Lees het rapport van de Kinderombudsman.

Terug naar het dossier.

Documentaire de rekening van Catelijne

Catelijne, een bijstandsmoeder uit Amsterdam Noord, heeft vijf kinderen en dertigduizend euro schuld. Ze wil afrekenen met haar verleden en droomt ervan om een “normaal gezin” te zijn.

Om uit de schulden te komen moet Catelijne nu rondkomen van tachtig euro per week, maar geldgebrek is niet haar grootste zorg.

De rekening van Catelijne was in 2012 te zien in Eye Filmmuseum in Amsterdam en toont de rauwe en ingewikkelde werkelijkheid van Hollandse armoede.

Via Uitzending Gemist kun je de documentaire bekijken.

Bekijk de trailer:

De rekening van Catelijne – teaser from FrithMedia on Vimeo.

Terug naar dossier.

Give until it hurts

De Amerikaanse schrijfster Danielle LaPorte schreef in juni 2012 het korte verhaal Give Until It Hurts op haar facebookpagina. Het verhaal is tienduizenden keren geliked en honderden keren gedeeld.

Give until it hurts – The Dalai Lama

Once upon a time, I was a Perfume Girl. You know those chicks who stand in the cosmetic section of department stores, all dressed up and smiley, asking if you’d like a spritz of the latest sniffy le fou fou? That was me. In heels and shoulder pads.

Everyday on my way to work, I’d see the same street busker outside the turnstile door playing for coins. He was absolutely gorgeous. Tall, and dark, soft brown Stag eyes. Think: willowy Hugh Jackman. He was ooo la la Parisian. He played the accordion and sang Edith Piaf in a white blousan and worn out sneakers. And he also wore…a clown nose.

The dignity. The humility. It broke my heart.

I couldn’t take my eyes off him, but I could hardly look at him. And so I never tossed him so much as a nickel. All those days. Five days a week. I just watched the tourists and little kids walk up and drop money in his purple velvet-lined instrument case.

I wondered how his life had come to this –- singing for change in front of The Hudson’s Bay department store. And I then read about him in the community newspaper. His name was Marc. “I hope to be able to make nice Christmas for my family.” (Not so perfect English.) He had a family. He really needed those tossed coins.

Before each payday I was usually down to my last ten bucks, just enough for a burrito and bus fare to work. One day, I finally mustered myself and clip clipped quickly up to his accordion case. In a silly flurry I dropped in a fiver and kept walking. Then I made a sharp turn into the nearest alley, buried my face in my purse, and sobbed.

I felt complicit in his humiliation. I felt ashamed of how many times I’d walked by without looking him in the eyes. I felt poor.

But I got what I needed to get in that flood of shame.

I saw that sometimes we resist The Give, because it hurts to meet the other in their place of need and suffering. Generosity insists that you meet people where they are. This requires some courage, like all forms of intimacy.

From that moment on I stopped circling the pain I saw. Instead, I let my curiosity pull me closer to it. And when I moved toward it, I found the riches of compassion.

Terug naar dossier.

Armoedecoordinator wil verbinden

Armoedecoördinator Hetty Vlug probeert Amsterdam te verbinden in haar strijd tegen armoede: bedrijven, maatschappelijke organisaties, de overheid én de mensen zelf.

Tekst Jojanneke Spoor

Terwijl er windstoten van meer dan 100 kilometer per uur door Amsterdamse straten gieren, praat Hetty Vlug rap over zelfredzaamheid, veerkracht en steun voor elkaar. Ze heeft net per fiets de storm getrotseerd en eenmaal veilig binnen stippelt ze alvast een route uit voor de terugweg, langs zo min mogelijk bomen.

Vlug is sinds twee en een half jaar armoederegisseur bij de gemeente Amsterdam. Op vragen over nieuw beleid, zoals de Participatiewet, weet ze geen antwoord maar ze heeft wel zo haar ideeën over armoedebestrijding en is niet bang om de verantwoordelijke wethouders daarover aan hun jasje te trekken. Ze ziet zichzelf vooral als verbinder.

“Ik ben een buitenboordmotortje, ik ben er om te ondersteunen. Mijn opdracht is om armoedebestrijding effectiever en efficiënter te maken. Dat doe ik onder andere door ervoor te zorgen dat maatschappelijke organisaties en bedrijven zich committeren aan armoedebestrijding. Het idee is dat armoede nooit alleen door de overheid opgelost kan worden”, licht Vlug haar taak toe.

“Het armoedebeleid van de gemeente wordt gekenmerkt door het verlichten, verminderen en voorkomen van armoede. Ik voeg daar twee v’s aan toe: verbinden en versterken. Ik zoek manieren om maatschappelijke organisaties en burgers zodanig aan het armoedevraagstuk te verbinden dat ze ook echt iets gaan doen.”

Een echte coördinator, want: “Het is de bedoeling dat men voortdurend bedenkt: wat kunnen wij als overheid doen, wat kan het maatschappelijk middenveld doen en wat kunnen bedrijven bijdragen? En wat kunnen Amsterdammers zelf doen? Eigenlijk zouden er bij allerlei organisaties armoederegisseurs moeten zitten, ‘verbindingsofficieren’ die kansen benutten. Je vindt ze al in het Pact tegen armoede, waarin tachtig bedrijven, maatschappelijke organisaties en betrokken burgers zijn verenigd. Drie keer per jaar houden we een bijeenkomst waar een wetenschapper aan het woord komt om de ernst van de problematiek te belichten. De volgende is op 28 november: we hebben het dan over schuldhulpverlening en de relatie tussen formele en informele zorg. De overheid heeft een belangrijke taak in het oplossen van schulden. Maar wie schulden heeft, moet natuurlijk ook zelf iets doen.”

Makkelijker gezegd dan gedaan. “Absoluut. Sommigen lukt het beter dan anderen om uit de problemen te komen, dat heeft ook met omgeving te maken. Als je uit een milieu komt waar iedereen werkt, is het makkelijker om weer aan een baan te komen omdat veel banen via via worden vergeven.”

Mensen die het niet lukt, hebben vaak naast hun financiële zorgen ook andere problemen. “Klopt, maatschappelijk dienstverleners moeten daarom niet alleen naar het financiële plaatje kijken maar ook naar de persoon zelf, zijn mogelijkheden en zijn netwerk.”

Wat is er sinds uw aanstelling veranderd?

“Er is door de crisis meer armoede, het is ingewikkelder, er zijn nieuwe groepen armen. Problemen van werkende armen zijn lastiger op te lossen. Zij definiëren zichzelf niet altijd als arm maar kunnen bijvoorbeeld hun kinderen geen computer geven. Dan is het jammer als ze geen gebruik maken van de overheidsregelingen die er zijn. Ik denk dat ze minder goed weten dat die regelingen ook voor hen gelden. Men weet ze ook niet altijd te vinden. Dat is ook waarom we die Pact-bijeenkomsten organiseren, om elkaar op de hoogte te houden en contact te leggen.”

Wat is de grootste uitdaging? “Ik geloof erg in het belang van werk en wil ervoor waken dat mensen buiten de boot vallen. Maar dat is lastig in tijden van crisis. Daarnaast maak ik me zorgen over de schuldenlast. Ik koester niet de illusie dat ik dit soort processen kan keren, maar ik kan ze wel agenderen.”

Dit artikel is gepubliceerd op Mugweb.nl

Terug naar dossier.

Schoolreisje

De dochter (33) van meneer Mak heeft twee kinderen en moeite de eindjes aan elkaar te knopen. Zo heeft ze voor haar oudste zoon een school gekozen waar geen buitenlandse schoolreisjes worden gemaakt. En dat bracht meneer Mak terug naar zijn eigen jeugd. Hij schreef er een prachtig verhaal over.

“Hé, meneer Mak!” zei hij opgewekt toen hij me tegenkwam bij WSV’30. “We gaan in september naar Krakow”, hij schreeuwde bijna van enthousiasme en vertelde mij, dat hij met zijn examenklas van zijn college, vijf dagen naar Krakow zou gaan. Op studiereis. “We gaan raften en naar Auschwitz…” en hij predikte als een reisleider die zijn huiswerk had gedaan en vertelde me nog meer over de historische sferen en de indrukwekkende uitstapjes. Het zou een stad zijn vol verhalen en mythen. “Weet u waar het ligt?” informeerde hij alsof mijn geografische kennis langzaam tanende was. “Ik wel”, zei ik terwijl mijn gedachten langzaam ergens anders heen gingen, “in Polen. Daar heb ik geen Tomtom voor nodig. Maar wat kost zo’n reis wel niet?” Toen hij het bedrag noemde vroeg ik hem of zijn moeder dit wel kon ophoesten. Ik wist dat zij gescheiden was, leefde van de bijstand en dat hij nog drie kleinere broertjes had die iedere dag te eten moesten hebben. Bij hun thuis werd ieder dubbeltje omgedraaid en alle dagen vlees op tafel, was allang verleden tijd. Laat staan dat ze een keertje zelf met vakantie konden gaan. Hij schudde meewarig zijn hoofd toen ik mijn wenkbrauwen fronste. Ik zag zijn vrolijke gezicht ineens betrekken en hij sjokte gedesillusioneerd bij me weg. Ik keek hem na en in gedachten keerde ik terug naar mijn eigen jeugd. Ook wij hadden het thuis niet breed. Mijn vader verdiende krap 100 gulden per week en onze vakantie bestond destijds uit een fietstocht naar Groet om daar een weekje te genieten in een muf ruikend zomerhuisje. Meer zat er niet in. En toen de directie van mijn school, de ULO, bedacht dat we maar met de hele lichting enkele dagen naar Noord Frankrijk moesten gaan om met eigen ogen te aanschouwen wat de Eerste Wereldoorlog allemaal had aangericht, kreeg ik na die mededeling ter plekke een wegtrekker omdat ik al wist, dat ‘bruintje dit niet kon trekken’. Mijn ouders konden mijn tripje niet betalen. Ze waren al blij, dat ze ieder jaar het boekengeld konden neertellen. “Sorry”, zei mijn vader nadat ik schoorvoetend de vraag had gesteld. “Ik heb nog meer jongens thuis en eerlijk gezegd, dan ben jij nog eerder in het buitenland geweest dan je vader of moeder.”
Tekst en uitleg had ik niet nodig want ik begreep dondersgoed, dat ik niet mee kon. En zo gebeurde het dat mijn hele klas meeging en ik samen met nog een andere jongen van een andere klas, de hele week alleen in een lege klas zat en allerlei opdrachtjes moest maken. Ze konden ons geen vrij geven en dus kregen we gewoon les. De week erop was iedereen weer aanwezig. Ze zaten vol met verhalen, hadden veel gelachen en meegemaakt en een heerlijke werkweek gehad. Ik stond er voor ‘jan met de korte achternaam’ naast. De geschiedenisleraar had diezelfde week iedereen opdracht gegeven om van zijn ervaringen een werkstuk te maken. Een opdracht, die ook ik moest maken ondanks dat ik niet naar Boulogne was geweest. En dus ging ik aan de slag. Ik dook de plaatselijke bibliotheek in en las alles over de veldslag bij Verdun in 1916. Hoe er 700.000 doden, vermisten en gewonden waren gevallen op een slagveld niet groter dan tien vierkante kilometer. Hoe het een oorlog werd van loopgraven, ondergrondse gangen, ontploffingen en gasbommen. Een oorlog met heldenverhalen. Mensen van vlees en bloed en een oorlog die begon met een moord op de Oostenrijkse aartshertog Franz Ferdinand, die bij een bezoek in Sarajevo door een Serviër werd doodgeschoten. Ik schreef mijn werkstuk met hanenpoten want een computer bestond nog niet en WordPerfect was nog niet uitgevonden. Laat staan: het kopiëren, knippen en plakken van plaatjes van internet. Het geheel versierde ik met plaatjes en uiteindelijk kon ook ik mijn werkstuk inleveren. Ik was er best trots op dat ik dit voor elkaar had gekregen. Alsof ik er geweest was en meegevochten had. Toen de werkstukken nagekeken waren en wij deze terugkregen, wierp de leraar mijn werkstuk op mijn tafel en zei slechts: “voor de moeite….!” En geen enkele motivatie eronder.
De rood omcirkelde één gaf me onmiddellijk een brok in de keel en ik had moeite om mijn tranen te bedwingen.
Thuis had ik niks gezegd totdat ik me moest verantwoorden voor mijn tussenrapport waarbij het opviel dat mijn cijfer voor geschiedenis met enkele punten naar beneden was gegaan.
Ik toverde mijn werkstuk tevoorschijn, gaf tekst en uitleg en ik geloof dat mijn moeder die avond voorkomen heeft, dat mijn vader een leraar zou vermoorden. Het tafereel staat nog steeds op mijn netvlies gebrand en iedere keer weer denk ik daaraan terug als ik hoor dat scholen reisjes bedenken, die sommige mensen niet kunnen betalen. En de tijd, dat er steeds minder mensen een dergelijk uitstapje voor hun kinderen zouden kunnen betalen, komt met rassen schreden terug. En misschien is-ie er al.

Terug naar dossier.

Toch nog een mooie kerst

*Ellen werkt op de afdeling jeugdhulp als intensieve gezinsbegeleider. Ze vertelt hoe bijzonder en betekenisvol het effect was van de LINDA.Foundation-bonnen op een gezin waar zij mee werkt.

Ik werk met een moeder en haar puberzoon. Ik begeleid de moeder thuis, haar zoon woont op een behandelgroep. De jongen heeft afgelopen zomer van een fijne vakantieweek kunnen genieten die door Stichting Heppie was georganiseerd. Moeder vertelde mij dat ze een email van Heppie had gekregen met een link naar jullie site om haar in te schrijven voor LINDA.Foundation. Dit heeft ze gedaan. Al had ze toen nog geen idee wat het haar zou brengen.

Helaas was het voor moeder en zoon niet mogelijk samen de kerst door te brengen. Puur door financiële problemen. Schrijnend om te weten met wat voor bedrag deze moeder iedere maand rond moet komen. De gemeente heeft haar inkomsten gekort omdat haar zoon niet volledig bij haar thuis woont. Hierdoor kan ze, zelfs nu haar zoon op de groep woont, nauwelijks bezoekmomenten of weekenden inplannen. En afgelopen kerst had ze gewoonweg het geld niet om haar zoon op te halen en boodschappen te doen, laat staan een kerstboom te kopen of cadeautjes.

In de week van 26 november krijgt ze bericht dat ze een pakketje van LINDA.Foundation kan verwachten. Ze weet niet wat haar te wachten staat, maar een cadeautje is altijd leuk. De bel gaat. DHL staat voor de deur met een prachtig, zwart doosje met gouden letters LINDA. erop. Ze moet tekenen voor ontvangst, alleen dat geeft al een bijzonder gevoel, want wat zal het zijn? Ze maakt het open en bedenkt dat ze beter kan gaan zitten.
De inhoud is een droom, een geluk, een last van haar schouders, een kerst. Geen eenzame kerst maar een kerst met haar zoon, de belangrijkste in haar leven.

Ze heeft meteen de groep gebeld. De kerstvakantie wordt anders: het wordt kerst en oud en nieuw vieren met zijn tweeën dit jaar. Ze heeft een kerstboom gekocht en haar huis gezellig gemaakt. Ik zie een stralende moeder, die eindelijk eens voelt hoe het is om zomaar, plotseling, een gelukje te hebben. Iets wat haar zoon bij haar brengt.
Hoe mooi en warm is dit kerstverhaal?

Ik wil LINDA.Foundation, ook namens moeder en zoon, bijzonder bedanken! Jullie geven, is ontzettend intens ontvangen!

*Ellen is niet haar echte naam.

Terug naar dossier.

Een gulle gift van de Riki stichting

LINDA.Foundation is ontzettend blij met het gulle bedrag dat we hebben mogen ontvangen van Riki Stichting.

Adriaan Strating (Ad) was de founder van de Riki Stichting. De doelstelling van de stichting (opgericht op 17 december 1998) is het opzetten, organiseren en financieren van projecten in Nederland die zich richten op het verbeteren van het welbevinden van kwetsbare groepen. De stichting is vernoemd naar zijn in 1954 overleden moeder, Henderika Strating-Spijkerman, koosnaam Riki. De manier waarop zij in het leven stond: blij, zorgzaam en met een groot hart voor de medemens, is de uitstraling die hij voor ogen had met de Riki Stichting.
Op 27 december 2013 is Ad overleden. Hij was niet alleen een bewogen mens, maar ook een spiritueel mens. Zijn hoop was dat het leven niet ophield bij de dood maar dat hij op een bepaalde manier zou voortbestaan. Hij geloofde in een liefdevolle God, een Vader, die het goede voor ogen heeft met mensen. Hij beschouwde zichzelf dan ook als een gezegend mens en was dankbaar voor de mooie dingen die hij heeft mogen doen en ervaren in zijn leven. Zijn markante persoonlijkheid en inspiratie wordt gemist. Maar zijn zorgzaamheid, blijheid en naastenliefde zal worden voortgezet in het werk van de Riki Stichting. Op die manier blijft Ad voortbestaan.

Terug naar dossier.